Taalgebruik en gesprekstechniek
Een aantal aandachtspunten bij taalgebruik en gesprekstechniek:
- Over het algemeen is het, zeker bij de eerste generatie, belangrijk om eenvoudig Nederlands te spreken. Praat rustig, duidelijk en gebruik korte zinnen zonder moeilijke woorden. Bij vragen uit de groep herhaalt u de vraag in eigen woorden. Zo checkt u of u de vraag goed heeft begrepen.
- Bij taalproblemen kunt u een tolk of een medebegeleider uit de doelgroep zelf regelen. Maak van te voren wel goede afspraken over de taken en de rollen.
- Gebruik geen jargon of afkortingen die de deelnemers niet dagelijks gebruiken. Geef deelnemers tijd om informatie te verwerken en na te denken over opmerkingen die gemaakt worden.
- Maak steeds een inschatting van de meest aangewezen aanspreekvorm voor de betreffende groep deelnemers (‘jij’-vorm of ‘u’-vorm).
- Stel geen gesloten vragen die alleen met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord kunnen worden. Gebruik vragen als: “Hoe vond u dat? Kun je daar meer over vertellen?”. Zo kunt u deelnemers stimuleren om dieper op het onderwerp in te gaan. Stel onderzoekende vragen die deelnemers aanmoedigen om over seksualiteit te praten.
- In het algemeen is het beter om deelnemers niet meteen over hun persoonlijke ervaringen te laten vertellen. Het is meestal veiliger en gemakkelijker om eerst over jongens en meisjes, mannen en vrouwen, vaders en moeders in het algemeen te praten. Gebruik bijvoorbeeld “Denken jullie dat jongens of meisjes het belangrijk vinden dat…?” Daarna kunnen de deelnemers zelf aangeven wat zij ervan vinden.
- Ga serieus op vragen in en geef eerlijke antwoorden. U hoeft zelf niet meteen op alle vragen een antwoord te geven. Zeg dat u het nu niet weet en het zult opzoeken, uitzoeken of er eerst beter over wilt nadenken.
- Stimuleer deelnemers actief deel te nemen en betrek alle deelnemers bij discussies, bijvoorbeeld door groepsrondjes. Maar laat de passieve luisteraar ook in zijn waarde en dwing die niet om te spreken.
- Luisteren naar elkaar is soms moeilijk, met name voor pubers. Dit kan ten dele ondervangen worden door de jongere eerste een korts samenvatting te laten geven van hetgeen een ander gezegd heeft en hem/haar dan pas zelf aan het woord te laten.
- Sluit elk onderdeel af met een korte samenvatting of conclusie. Bijvoorbeeld met “Wat hebben we besproken? Wat hebben we geleerd?”